Ineens was het verlangen er weer: kamperen. In de kelder lag nog een tent van 20 jaar geleden, ik sprokkelde wat matjes bij elkaar (partner heeft high tech spul) en oude slaapzakken om op en onder te slapen en daar gingen we. We voegden ons in de pinksterdrukte en reden er pakweg 6 uur over naar Bévercé, België. Niet leuk. Als aanrader hadden we de camping Au Moulin op gekregen. Ons kleine tentje kreeg een groot grasveld omzoomd met beukenhegjes voor zichzelf. Wel leuk. De omgeving van de camping was prachtig. Lieflijk groen, kabbelende beekjes, kwetterende vogels, ruisende bomen. Tjonge, jonge, het kan niet op. In no time zaten we zielsgelukkig voor ons ouwe tentje een potje te koken (en voortaan geen pasta meer meenemen die 15 minuten moet koken, sufferd!). Het slapen verliep prima, al was het de eerste nacht berekoud. Ik had het niet gedacht, maar ik sliep als een roos op het oude schuimrubberen matje. Partner op zijn selfinflating matje stond de volgende dag gebroken op. Tja… Het weer was heerlijk, al waren er zondagavond wat benauwde uurtjes. Het regende en de vraag was wel of de oude tent het zou houden. Prima, hij lekte maar heel, heel weinig. Toch komt er een nieuwe tent. Ietsje groter. En er komen vooral stoeltjes. Ha! Want kamperen en wandelen gaan uitmuntend samen. Maar dan moet je daarna wel een beetje kunnen zitten. En over dat wandelen later meer.

Leuk? Deel dit dan: