Mijn oma kon aardappels schillen als de beste. Dat, zo vertelde ze graag, had ze in haar dienstje geleerd. Ze schilde de aardappels dun, heel erg dun. Dat moest, want in de tijd dat mijn oma in betrekking was, was zuinigheid het grootste goed in Nederland. Ook bij mensen die zich ‘booien’ konden veroorloven. Dat heel dun schillen deed zij niet met een dunschiller, maar met een gewoon aardappelmesje. Prachtige lange slierten schil kon ze ermee maken. Het kleinste krieltje was de grote uitdaging. Die petieterige aardappeltjes moesten niet alleen heel dun worden geschild, maar ook nog rond blijven. Ik geef het je te doen, maar mijn oma kon het. En dat was een groot wonder, want mijn oma had typische werkvrouwhanden: groot als mannenhanden. Vandaag moest ik aan deze kunst van oma denken. Ik had aardappelpuree gepland voor het menu vanavond. Dan vraag ik bij de groenteboer of hij geschilde kruimige aardappels heeft. Nee. Ai. Dan zoek ik samen met hem de allergrootste uit. Die schil ik dan met een dunschiller en dan worden ze toch nog rechthoekig… nee, de kunst van het piepers jassen moet je leren. Dat komt je niet aanwaaien.







